zeven jaar geleden

zeven jaar geleden

‘Meneer De Vries, goedemorgen, uw medicatie.’ Voorzichtig open ik mijn ogen en door mijn wimperhaartjes heen zie ik een blauw geraamte. Het blauwe geraamte staat over mij heen gebogen en heeft in de ene hand een bakje met pillen en in de andere hand een glas water. Moeizaam ga ik overeind zitten en neem de ruimte in mij op. Ik zie de bruine bank die ik jaren geleden met Anneke bij de kringloop heb gekocht en ik weet dat het goed is. Ik ben thuis. Samen met de bruine bank waarop zoveel is gebeurd. De bank waarop Michel zijn eerste keer papa zei, de bank waarop we elke zondag samen voetbal keken, de bank waar nog steeds een rode streep zit van toen Michel ontdekte dat stiften ook op andere dingen dan alleen papier kleur afgeven. ‘Meneer de Vries?’ Ik kijk het blauwe gestalte aan. Het gestalte strekt zijn armen uit.

‘Neem je je medicatie in?’

‘Medicatie?’

‘uw cholesterolremmers en uw Acetylcholinesterase’

‘waarom?’

‘dat slikt u al jaren, de dokter heeft het voorgeschreven.’

‘Ik slik geen pillen.’

‘Meneer de Vries, het is voor uw eigen bestwil.’

Voorzichtig pak ik de pillen en het glas water aan.
‘Wat is het?’

‘Dat is uw medicatie.’

‘Ik slik geen medicatie.’

‘Meneer het is echt beter als u ze inneemt, anders moet ik de arts laten komen.’

Enigszins geschrokken van dit dreigement, neem ik voorzichtig de pillen in met een grote slok water. Met een harde klap zet ik het glas op het nachtkastje. Als ik opkijk staat er een vrouw helemaal in het blauw gekleed. ‘Zal ik u dan maar helpen met aankleden?’

Ik kan mijn lach niet inhouden. Wie denkt ze dat ze is? Zomaar naar binnen stormen en dan het lef hebben om te vragen of ze me mag helpen met aankleden. Ik weet niet eens wie ze is. ‘Dat kan ik zelf wel hoor,’ zeg ik, nog altijd lachend. Ze kijkt me bezorgd aan. Dan kom ik over tien minuten terug om te kijken. Als u dan nog niet bent aangekleed doen we het alsnog samen. Tot zo meneer De Vries.’ Ik knik haar toe.
Ik ga rechtop zitten. Mijn voeten op de grond. Ik voel de kou van de vloer in mijn voeten trekken. Mijn pantoffels moeten ergens onder mijn bed liggen, daar liggen ze altijd. En voorzichtig ga ik staan. De wereld draait, zo vroeg in de ochtend. Ik zak door mijn benen en ga op mijn knieën zitten. Geen pantoffels te vinden. Misschien heeft Anneke ze met het stofzuigen per ongeluk naar achteren geschoven. Ik ga plat op mijn buik liggen en tast met mijn handen naar eventuele pantoffels. Nee niks. Ik haal mijn handen naar mij toe en schuif me verder onder het bed. Weer strek ik mijn armen uit. Ik voel de muur. Ik tast van links naar rechts, maar geen pantoffel te vinden. Verward kom ik op mijn hurken. Op het moment dat ik op wil staan verlies ik mijn evenwicht en val achterover. Ik probeer me omhoog te trekken aan het nachtkastje. Ik leg mijn hand op het nachtkastje en duw mezelf omhoog. Mijn nachtkastje rolt opzij en ik kom beland weer op de grond. Ik kan me niet herinneren dat er wieltjes onder mijn nachtkastje zitten. Ik neem het nachtkastje in mij op en zie dat ook de kleur hout lichter is dan ik me herinner. Dan valt mijn blik op het bed. Een eenpersoonsbed. Een eenpersoonsbed? Anneke en ik liggen al 50 jaar in hetzelfde bed. Wat is er gebeurd? En waar is Anneke überhaupt? ‘Anneke? ANNEKE?’ Mijn hoofd laat ik rusten op de rand van het vreemde bed. En alles waar ik aan kan denken is: waar is Anneke en waarom heeft ze het bed verwisseld?

‘Meneer De Vries, bezoek voor u. Uw zoon gaat u even helpen met aankleden.’ Een vreemde vrouw, helemaal in het blauw gekleed, staat over mij heen gebogen. Ik lig op een vloer die bedekt is met grijs zijl. Waar ben ik? Dan komt er een man naar mij toe gelopen. De man heeft een donkere baard met grijze plukken en een flinke bos donkere krullen op zijn hoofd. Op zijn stevige neus rust een bril met een enorm montuur. Zijn stevige bovenlichaam is bekleed met een zwart rood geblokte blouse. Wie is deze idioot?

‘Hoi pap’

En dan zie ik het. Die idioot is Michel, mijn bloedeigen zoon. De laatste keer dat ik hem zag was het nog een kleine jongen. Met open mond en zonder iets te zeggen sta ik op. Ik sla mijn armen om hem heen.

‘Michel, jongen van me!’

‘Dag pap. Kom we gaan je aankleden en dan naar de begraafplaats.’

‘Wou je me begraven? Haha’

‘Het is vandaag mama’s sterfdag. We hadden vorige week afgesproken om er vandaag heen te gaan.’

‘Annekes sterfdag?’

Hij knikt, terwijl hij zijn enorme hand door zijn baard haalt.

Tranen stromen over mijn gezicht. En snikkend val ik in mijn volwassen zoon zijn armen. Hij ruikt naar sigaren en aftershave.

‘Hoe lang al?’

‘zeven jaar.’

‘Dit is al de derde keer deze week,’ hoor ik de in blauw geklede vrouw zachtjes mompelen. En zonder verder iets te zeggen loopt ze de deur uit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *